donderdag 29 december 2011

GEKOOID

Mijn overburen hebben muizen. Geen witte muizen, maar buitenmuizen. Alleen het vervelende is, ze zitten binnen. Op de zolder vieren ze feest. Het gaat er heftig aan toe, het lijkt soms wel of ze een klompendans uitvoeren. Dat is op zich niet zo erg, laat ze maar dansen maar waarom moet dat 's nachts als de mensen willen slapen. Dan nog, waar knagen ze aan, waar maken ze nesten en ze poepen en piesen ook nog overal. Dat kan zo niet blijven. Aanpakken dat muizenspul, alleen hoe? Muizentarwe met lekker veel vergif er op, dat zal ze wel leren. Waar blijven die dode muizen dan? Blijven ze liggen rotten ergens op zolder zodat de stank in de slaapkamer niet mer te harden is? Stel dat ze ziek en ellendig toch weer naar buiten gaan de tuin in en de kat van de buren eet ze op? Nee, dat is geen oplossing. Muizenvallen dan, van die enge dingen die met zo'n klap dicht slaan en ze de nekt breekt. Dan zit je 's morgens met zo'n dode muis met van die opengesperde ogen. Niet aan denken, wat moet dat moet. Ja maar wie haalt dat lijkje er dan uit en gooit het in de vuilcontainer? Wat een ellende. Toen de overbuurtjes gezellig een hapje kwamen eten kwam het gesprek op de zoldermuizen. Wat moesten ze er toch mee beginnen. Alle genoemde opties vonden ze eigenlijk niet erg aantrekkelijk en zeker niet diervriendelijk. Nu had ik op zolder nog een kooitje staan. Een mooi rond gevalletje van ijzerdraad met een gat aan de bovenkant. Daar kan de muis wel naar binnen, naar het stukje kaas, maar er niet weer uit. Het hele gevalletje is bevestigd op een plankje met in het midden een gat met een schuifje er voor. Het kooitje heb ik ze meegegeven om te proberen. Toen de kindertjes lekker in hun bedjes lagen en het kooitje was gezet, was het tijd voor een rustig avondje. Een anderhalf uur later, terwijl ik de vaatwasser aan het uitruimen was, buurvrouw aan de deur. Daar stond ze met het kooitje en daarin een angstig bosmuisje. Het diertje moest er uit maar ja, dat moet je wel durven en waar laat je het los.
We zijn de begraafplaats een eindje op gelopen daar kon hij mooi los gelaten worden onder de Rhododendrons. Daar aangekomen sprong het muisje ineens uit zijn kooitje. Doordat ik het wat schuin had gehouden was het schuifje open gegaan en hup weg was de muis. Gelukkig wel onder Rhododendrons.

vrijdag 23 december 2011

KERSTKIKKER EN VOGELGEZANG


klaarwakker

Zoals iedere morgen stap ik de tuin in. Een bakje vogelvoer in de ene hand en in de andere een handjevol zonnebloempitten. Het voer voor op de voedertafel heb ik verrijkt met rozijnen. Deze zijn speciaal voor mijn merelvriendin. Zodra ik de tuin in stap komt ze aangevlogen. Als ik mijn bakje heb omgekeerd zit ze op het uiterste takje van de heg te wachten tot ik een stapje terug doe. Een halve meter is genoeg, dan springt ze op de tafel en begint met haar snavel het hoopje voer uit elkaar te gooien. Het lekkerste gaat eerst naar binnen, stukjes mais en rozijnen. In het voerhuisje, hangend aan een tak, gaan de zonnebloempitten. Deze zijn voor de mezen en de groenlingen. Daarna loop ik naar de thermometer. Minimum temperatuur van de afgelopen nacht, acht graden! Werkelijk ongehoord! Daarna is de regenmeter aan de beurt. Die staat vlak bij het vijvertje. Wat is dat! Valt er iets in het water? Kan eigenlijk niet, er staat geen boom in de buurt en er is geen wind. Als ik de twee millimeter uit de regenmeter op het gazon giet zie ik wat bewegen in het vijvertje. Ja hoor, daar steekt een van de groene kikkers zijn kop boven water. Snel naar binnen het fototoestel pakken. De kikker hangt rustig aan de rand in het water tussen het mos en de foto is zo gemaakt. Nog even blijf ik staan kijken of er nog meer kikkers in aktie komen. Niets te zien, maar ik kan mijn oren bijna niet geloven in de eik achter mijn tuin zit een merel. Het is een mooie merelman en hij zingt uit volle borst. Dat heb ik nog nooit meegemaakt in mijn leven. Soms hoor je in de winter wel eens een merel zachtjes murmelend zijn stembanden uitproberen, maar zoiets, nee. Wat blijft er op zo'n manier nog over van je kerstgevoel. Ik krijg eerder last van lentekriebels. Als ik weer naar de achterdeur loop zit mijn merelvriendin in het appelboompje wat onrustig om zich heen te kijken. Ze snapt er blijkbaar ook niets meer van, kijkt mij aan met een blik van wat dat nog wordt met de kerst?? Geen idee!

beetje in de war


woensdag 21 december 2011

KERSTKAARSSPIN ( een treurig verhaaltje )

Kerstboom is bij mij een echte spar. Zo eentje waar naalden afvallen en die naar hars ruikt. Hetzelfde geldt voor de kerststukjes. Lekker fris groen zo uit de tuin. Het duurt dan vaak niet lang of er vliegt van alles door de kamer. Vliegjes, mugjes, wantsjes, lieveheersbeestjes en meer van dat spul. De natuur komt tot leven in de warme kamer. Op het salontafeltje had ik een kerstkrans gemaakt met in het midden een dikke stompkaars. Zeventig branduren stond op de verpakking. Dat leek me wel gemakkelijk, die kon het wel volhouden tot in het nieuwe jaar. Bovendien hoefde ik niet steeds op te letten om te voorkomen dat het kerststuk in vlammen op ging. Toen ik de kaars voor de tweede keer weer aanstak, rende er iets weg. Het was een klein spinnetje. Het ging op de rand van de kaars zitten kijken naar het vlammetje. Dat leek me erg link dus dirigeerde ik het beestje voorzichtig naar het kerststuk. Even later zat het toch weer op het randje van de kaars. Het vond de warmte van het vlammetje blijkbaar wel aangenaam. Op een gegeven ogenblik werd het blijkbaar toch te warm en ging het aan de zijkant zitten. Bedtijd, dus kaars uitgeblazen en naar boven. De volgende ochtend zie ik het eigenwijze beestje weer lekker op het randje zitten. 's Avonds als ik de kaars weer aansteek blijft het rustig zitten of rent soms een rondje langs het randje. Zo ging het de hele week en ik raakte een beetje aan het spinnetje gehecht. Tot vanavond. Eerst zat het nog op het randje terwijl ik de kaars aanstak en liep weer een rondje net als elke dag. Net toen ik de kaars wou uitblazen zie ik dat er een ramp is gebeurd. Het spinnetje lag met opgevouwen pootjes in het kaarsvet. Wat was er gebeurd, was ze uitgegleden? Ik weet het niet. Jammer, het was zo'n aardig gezicht dat kleine beestje op het randje. Ik mis het nu al.

maandag 19 december 2011

GEEN SNEEUW, WEL EEN KLOKJE

De afgelopen nacht had het gevroren. De paden op de begraafplaats zijn glad door de bevroren natte sneeuw en hagel. Veel van die troep is wat gesmolten, bij zonsopkomst bevroren en ligt hier en daar op het gras in de zon te glinsteren. Niet wat je noemt het witte kerst gevoel. Volgens Paulusma zal het naar het weekend toe weer warmer worden, dus zeker geen sneeuw met kerst dit jaar. Een groene kerst komt er aan. Niet erg vind ik, als het maar zonnig is en dat is nou juist zeer de vraag. Vandaag schijnt echter de zon en is er weinig wind. Tijd om eens buiten te kijken. Lekker prikkelend fris is het. Op een graftuintje staan leuke Gaultheria's. Een plantje dat vanwege zijn rode vruchtjes en altijd groene blaadjes veelvuldig wordt aan geboden in deze tijd van het jaar. Op het randje zie ik van een afstand iets wits. Toch niet.............Ja hoor toch wel. Dichterbij gekomen ontdek ik een sneeuwklokje bloeiend en wel. De bloemblaadjes devoot gevouwen om het kleine nu niet zichtbare rokje. Een lentebode vlak voor kerst, wat leuk. Ook voorgaande jaren had ik al hier en daar een sneeuwklokje zien bloeien op een zeer vroeg tijdstip in januari, maar deze spant de kroon. Het is het Turks sneeuwklokje ( Galanthus elwesii ). Deze soort komt voor in delen van de Balkan, Oekraine en West-Turkije. Een goed determinatie kenmerk zijn de brede blauwgroene bladen die in elkaar gevouwen zijn in het begin. Overigens is het een erg variabele soort en komen ook vormen voor met smal blad. De bloeitijd is meestal van februari tot maart, maar de laatste jaren al vaak in januari en nu dus nu al in december. Weer een een heel ander kerstklokje.

zaterdag 17 december 2011

GOUD-GEEL EN GEUREND


let op de meeldraadjes in het hart van de bloem.

Een tijd geleden schreef ik over mogelijk de laatste zomerbloemen van dit jaar. Het was vlak voor de eerste nachtvorst. Deze laatste bloemen bloeien nog steeds. Rozenperken waar nog steeds behoorlijk kleur op zit en dagkoekoeksbloemen die niet willen opgeven. Tegelijkertijd staan winterbloeiende struiken volop in bloei, zoals reeds gemeld. Weer is er zo'n winterbloeier in geslaagd mijn aandacht te trekken. Niet in eerste instantie door zijn bloei, maar door de heerlijke geur viel hij op. Het is de Toverhazelaar ( Hamamelis mollis ). Wie de naam toverhazelaar heeft bedacht weet ik niet, maar er klopt helemaal niets van. Er komen geen hazelnoten aan, het is in de verste verte er ook geen familie van. Goed dat er Latijnse namen zijn gegeven die over de hele wereld hetzelfde zijn, anders kon je wel een hele rare verwisseling krijgen, als je een toverhazelaar zou willen kopen in bijvoorbeeld China. China is wel zijn vaderland en dan vooral Centraal-China. Hoe ze de struik daar noemen weet ik niet, maar ook daar zullen ze hem vast wel betoverend mooi vinden. Hij bloeit van december tot maart afhankelijk van de winterse omstandigheden. Dat er in die periode wel bestuiving plaats vindt is te zien aan de vele zaaddoosjes aan de plant. Aan het takje wat ik had geplukt zat ook zo'n zaaddoosje. Terwijl ik druk doende was met mijn kerstpost hoorde ik een droge knal en rolde er een zwart glanzend zaadje over tafel. Het zou dus mogelijk moeten zijn daaruit zelf een toverhazelaar tevoorschijn te kunnen toveren. Ik ben bang dat het wel een poosje zal duren voor er een mooi bloeiend struikje uit is gegroeid.
Behalve mooie bloemen heeft de struik ook nog prachtige herfstkleuren, dus twee keer per jaar de moeite waard om in de tuin te hebben. Maar pas op! Hij wordt groot en vooral, breed. Al te vaak wordt een klein bloeiend struikje gekocht en in een klein voortuintje geplant. Het gevolg is dat er al na een paar jaar gesnoeid moet worden en er een zielig, misvormd struikje over blijft. Bezint eer ge begint!

woensdag 14 december 2011

GELATINE


Gele trilzwam

Regelmatig trekken herfststormen over in deze decembermaand. Een van de gevolgen hiervan is dat het hier en daar bezaaid ligt met dode takken en takjes. De meeste zijn flink vermolmd en in kleine stukjes gebroken. In sommige dikkere takken hebben spechten en boomklevers zitten hakken op zoek naar een vette hap. Mogelijk hebben ze daardoor de takken extra verzwakt. De takken van de eik zijn over het algemeen het meest vermolmd. De takken van de beuk zijn juist een stuk steviger. Op die dode takken groeit van alles. Ik kan het dan ook niet nalaten nu het niet meer waait en het droog is een struintochtje langs al dat afgewaaide spul te maken. Korstmosjes zijn op de meeste takken gauw te vinden en ook zwammen zitten er op. Sommige zijn zwart of grijs en wat slijmerig, andere groeien meer als een soort korstje. Er zit heel wat op zo'n dood stukje hout en dat is maar goed ook. Schimmels zorgen er voor dat het hout wordt afgebroken om weer als voedsel te dienen voor dezelfde boom of andere planten. Ineens schijn er een helder lichtje tussen al die takken, tenminste zo lijkt het. Mooi helder oranje-geel springt het direct in het oog. Het is de Gele trilzwam ( Tremella mesenterica ) een heel algemeen voorkomende soort. Als je hem opraapt lijkt het wel een gelatine trilpuddingkje. Vaak parasiteerd deze trilzwam een korstzwam van het geslacht Peniophora zoals de Paarse eikenkorstzwam ( Peniophora quercina ), een al even algemene zwam, vooral op eiken. Best leuk om na een storm eens rond te neuzen dus.

Paarse eikenkorstzwam


dinsdag 13 december 2011

BINNEN GEHAALD


Servische spar

Het tuincentum had een kerstboom voor mij gereserveerd. Deze week heb ik hem opgehaald. Het is niet een hele grote, maar wel mooi in de takken. Dat is belangrijk want er moeten echte kaarsjes in naast wat elektrische lampjes. Eerst had ik hem nog even in de tuin laten staan, maar kleinzoon wou even naar opa. Snel de boom in een pot gezet, aarde erbij en naar binnen er mee. Natuurlijk moest hij er even wat ballen in hangen en daarna chocolademelk met slagroom drinken. Een kerstboom koop ik altijd met kluit. Niet omdat ik hem weer in de tuin wil planten, maar omdat hij dan steviger in de pot staat. Dat terugplanten is ook eigenlijk onzin. Meestal gaan ze dood en bovendien wil ik een bloemen tuin en geen sparrenbos. Tegenwoordig zijn er meerdere soorten kerstbomen te koop. Was het in vroegere jaren altijd een spar ( Picea abies ), nu kunnen we kiezen. Echte Nordmannen schreeuwt dan het reclamebord. Dit zijn zilversparren ( Abies nordmanniana ). Een andere soort dus. Hij heeft stompe naalden die aan de onderzijde twee witte strepen hebben, huidmondstrepen zijn dat. Oorspronkelijk komt hij voor in de Kaukasus en Klein-Azie en wordt bij ons in bosverband gekweekt voor het hout. Geen kleine jongen, hij kan wel 30 meter hoog worden. Als kerstboom heeft hij het voordeel van de niet prikkende naalden en hij laat zijn naalden ook niet zou gauw vallen. Een ander kerstboom is de Servische spar ( Picea omorika ), afkomstig uit de Westelijke Balkan. Het is een echte spar met zachte, blauwgrijze naalden. Deze boom wordt veel in wat grotere tuinen en parken aangeplant. Ook deze spar groeit uit tot een hoge boom, maar wordt niet erg breed. Het is een hele sierlijke slanke spar. Een bijkomend voordeel is dat hij al op vrij jonge leeftijd kegeltjes draagt van zo'n 3 tot 6 cm. lang. Het naar binnenhalen van al dat groen stamt uit de tijd dat we nog wilde stammen waren, heidenen. Als de kortste nacht was geweest en de dagen weer gingen lengen werdt gevierd dat er weer nieuw leven aan kwam. De wereld werd weer groen, ging weer bloeien en vrucht dragen. En ook om de goden gunstig te stemmen werden de onderkomens versierd met groene takken en bessen. Rode hulstbessen en altijd groene bladeren. Aardig vind ik het dat dit gebruik in onze tijd nog altijd leeft, ondanks alle moeite van Bonifatius en de zijnen. Een goed voorbeeld van samengaan van leef-en geloof gewoonten.
Het lijkt me goed daar aan te denken nu de wereld steeds kleiner wordt en andere leef- en geloof gewoonten  met ons samen zijn!!

maandag 12 december 2011

VOLOP IN BLOEI

Je kunt wel zien dat het zacht weer is, zei een bezoeker, achter op de begraafplaats staat een struik in volle bloei. Dat hoort zo, zei ik hem, deze plant bloeit altijd in de wintermaanden. Vorig jaar had hij het niet gezien. Dat klopt, toen was het winter met sneeuw en vorst. Dan bevriezen de bloemen die open staan. De nog gesloten knoppen gaan wel weer open als het zachter wordt. Wat is dit voor struik? Het gaat hier om de Mahonia x media 'Winter Sun'. De naam is duidelijk, een echte winterbloeier. Eind oktober begint hij te bloeien en als er niet te veel vorst komt houdt hij dat vol tot na de kerst. Het x-je voor zijn naam betekend dat het een kruising is van twee soorten. De ene heet Mahonia japonica en de andere Mahonia lomariifolia. Het zijn alle twee groenblijvende struiken en afkomstig uit Oost-Azie. De japonica is een vroege voorjaarsbloeier en goed winterhard. De andere bloeit laat in de  herfst en in de winter, maar is niet winterhard. Door deze twee te kruisen ontstond een soort die in ons klimaat kan overleven. Alleen in strenge winters kan het gebeuren dat hele takken dood vriezen. Het is raadzaam te wachten met wegsnoeien van bevroren takken tot het eind van het voorjaar. Mijn ervaring is, dat soms op onverwachte plaatsen nieuwe uitspruitsels tevoorschijn komen.

zaterdag 10 december 2011

FILIGRAIN

Opklaringen, gauw even naar buiten. Het is fris zo, zonder jas. Toch maar aan doen. Toestel om de nek en kijken en weer kijken. Mooie blauwe lucht met kleine wolkjes waar de takken van al die geweldige bomen in 'mijn' achtertuin tegen af steken. Klik hier en klik daar, een gevallen tak op een grafsteen, een dramatisch stilleven net als de roos op een ander graf. Er is zoveel te zien en te fotograferen. Tot mijn vingers wat stijf worden van de kou, de zon weg zakt achter de huizen aan de overkant, ga ik naar binnen om te zien wat het geworden is. De keuze voor mijn blog valt op de uitgebloeide bloemscherm van de klimhortensia tegen de blauwe lucht. Een mooi filigrainwerkje van de kleine zaaddoosjes en een aantal verdorde steriele randbloempjes. Het is een mooie plant deze Hydrangea anomala ssp. petiolaris, afkomstig uit Oost-Azie en al sinds 1878 in cultuur in Europa. Een zelfhechtende klimmer, bloeiend in juni - juli en met goudgeel verkleurend blad in het najaar. Ideaal om een lelijke, blinde muur mee te laten begroeien. Met zijn artistiek gevormde takken een prima nestelplaats voor vogels. Tussen deze takken en hechtwortels verstoppen zich in de winter veel kleine beestjes zoals muggen, vliegen en spinnen. Mijn winterkoninkje weet ze echter wel te vinden en vult regelmatig zijn maagje met wat lekkere hapjes. Als dank laat hij dan een aardig liedje horen, vrolijkzwaaiend zijn staartje.

vrijdag 9 december 2011

GROEN EN ROOD

Ilex aquifolium 'Bacciflava'
Groen en rood, dat vind ik nou echte kerstkleuren. Zilver mag er ook nog wel bij en wat sneeuwwit. Dat moet genoeg zijn. Kom dan eens in de kerst uitstallingen waar dan ook. Het is kermis en kitsch, sorry voor de mensen die het wel leuk vinden, maar 't is niet mijn smaak. Nee, dan het groen en de rode bessen van de hulst ( Ilex aquifolium ) dat brengt mij pas in de stemming. Waarom we dat doen, komt een volgende blog aan de orde. Nu wil ik het hebben over de hulst. Vraag iemand een tekening te maken en in te kleuren van een hulst en tien tegen een dat het groene blaadjes en rode besjes worden. Als we eens goed om ons heen kijken zien we dat er veel verschillende soorten, eigenlijk cultuurvarieteiten, zijn. De bonte hulst is wel bekend. Daar zijn echter al meer dan 20 vormen van te vinden, witbont of geelbont. Ook is er een hulst met geel blad gekweekt. Sommige vormen hebben scherp gestekelde bladeren, soms zelfs op de bovenkant van het blad. ( cv. 'Ferox' ) of vrijwel zonder stekels ( cv. 'J.C. van Tol' ). Op kwekerijen, in plantsoenen en parken, maar ook in de natuur komen planten voor met gele bessen ( Ilex aquifolium 'Bacciflava' ). Zelfs oranje-gele bessen komen voor ( I.a. 'Fructu Aurantiaco' ). Soms zien we bij de bloemist ook kale takken met rode bessen. Hebben ze daar de stekelige bladeren afgehaald? Nee, dit is een andere soort, bladverliezend wel te verstaan. Het is Ilex verticillata uit Centraal- en Oostelijk Noord-Amerika. Een wel heel ander soort is de Ilex crenata, de Japanse Hulst. Dit is een breed groeiende, niet zo hoog wordende, groenblijvende soort. Hiervan worden ook al weer vele vormen gekweekt, met groene, gele of bonte blaadjes. Kleine blaadjes van 1 tot 3 cm. lang zonder stekels. Als er besjes aankomen, zijn ze zwart en niet erg talrijk. Naast deze soorten worden nog tal van andere soorten gekweekt, maar die laat ik nu maar even buiten beschouwing.

Ilex crenata


dinsdag 6 december 2011

ZOETE GEUREN

Wat is het nou, herfst, winter of voorjaar? Na de mooie vliegenzwam vliegen me vandaag de hagelstenen om de oren. De weg ziet wit en het is even spekglad. Mijn roodborstje heeft een goed heenkomen gezocht in de beukenheg en de heggenmusjes zitten ergens tussen de klimop. Na de hagelbui komt even de zon er door. Gauw naar buiten om nog wat voer op de voedertafel te leggen. Ook in het kleine hangende voederhuisje wat zonnepitten doen voor de kool- en pimpelmeesjes. Tussen de deels afgestorven vaste planten zie ik al wat groene punten van de crocusjes omhoog komen. Een zoet geurend vleugje doet mij om kijken. Tussen de nog groene blaadjes van de Lonicera purpusii zijn al een aantal bloemetjes open gegaan. Dit is een zogenaamde struikvormige kamperfoelie. Het is een kruising van twee soorten te weten, Lonicera fragrantissima en Lonicera standishii beide afkomstig uit China. Rond 1920 is hij in Duitsland ontdekt en in cultuur genomen. Het wordt een vrij brede struik, is half groenblijvend met heerlijk geurende bloemen. Vaak begint hij al in januari te bloeien, een echte winterbloeier dus. In koude winters stopt hij even om daarna als het iets warmer wordt weer door te gaan met bloeien. Soms houdt hij dat vol tot in maart. Op warme zonnige dagen in februari of maart wordt hij druk bezocht door bijen en hommels. Dat heeft tot gevolg dat er later rode besjes verschijnen vaak twee aan twee. Jammer genoeg zie je hem weinig in tuinen en openbaar groen. Vreemd eigenlijk, want het is gemakkelijke plant, sterk en goed te stekken of af te leggen. Ik geniet er al jaren van.

zondag 4 december 2011

SINT OF SPILLEBEEN?


Vliegenzwam in de herfstzon

De goedheiligman is weer in het land. Het hele weekend is de wit bebaarde oudere jongere druk bezig geweest. Bijgestaan door een schimmel en een legertje helpers ging hij over daken in weer en wind. December is het dus, en de winter is in aantocht. Streng zal die worden volgens sommige brood etende profeten. Niets is er nog van te merken. Overal bloeien nog bloemen, sommige gevederde vriendjes  laten geregeld een gezellig deuntje horen. Zelfs een merel zat in de heg zachtjes wat te oefenen. Het lijkt wel of alles wat in de war is. Hoewel, de bomen zijn kaal en het blad is daar waar nodig, opgeruimd. Een wazig zonnetje schijnt deze zondagmorgen. Even een frisse neus halen en kijken of er wat leuke foto's gemaakt kunnen worden. Verdorrend blad aan een afstervende stengel in mooie grijstinten, grillige takvormen en mooi gekleurde en gevormde boomschors. Door de regen van de afgelopen nacht is het mos lekker frisgroen met hier en daar nog een in de zon schitterend regendropje. Fijne zachte kleuren op dit uur van de dag. Ineens valt mijn oog op een helder in de zon staand geval. Het is een vliegenzwam! Vlak er naast staat er nog eentje, net boven de grond gekomen. Ik zei het al, het lijkt allemaal wat in de war te zijn. Wat de toekomst ons nog brengt zullen we moeten afwachten, maar nu is het nog gewoon een heerlijke herfstige zondagmorgen.

zaterdag 26 november 2011

RARE KNOP


knopgal


gezonde knop
 De hazelaar heeft nu, na zijn noten, ook al het blad laten vallen. Daar staat hij dan helemaal naakt in de wind te zwiepen. Overal zitten de mannelijke katjes al weer klaar om over twee of drie maanden het stuifmeel uit te strooien. Als we een zachte winter krijgen al in januari. Ik verheug me er nu al op. Nu zitten alle katjes en knoppen nog stijf dicht. Uit sommige knopjes komen straks de vrouwelijke bloempjes, blaadjes en hele takken. Bijna niet voor te stellen, een hele tak of een trosje hazelnoten opgeborgen in zo'n klein knopje. Er zitten ook een aantal dikkere ronde knoppen tussen. Wat zal daar staks uit groeien? Niets helaas, helemaal niets. Deze knoppen herbergen kostgangers. Het zijn galmijten en wel de Hazelaarrondknopmijt ( Phytoptus avellanae ). Door het gedoe van deze kleine schepseltjes is de knop niet meer in staat uit te groeien. Deze galletjes zijn het hele jaar te vinden, maar nu vallen ze het meest op. Ze zijn erg algemeen en als er een hazelaar in de buurt staat zul je ze zeker tegenkomen. Gelukkig zitten er nog genoeg gezonde knoppen aan, zodat we ook volgend jaar weer de noten kunnen oogsten.

maandag 21 november 2011

GEVLEUGELDE NOTEN


guirlandes gevleugelde nootjes

Nu de bladeren van de bomen zijn, komen andere zaken meer voor het licht. Als je om je heen kijkt zie je mooie takvormen of een vogelnest op een plaats waar je niets van wist. Tegen de blauwe lucht, als die er is, een prachtig silhouet van een alleenstaande boom. Allerlei zaden of vruchten die nog aan de boom zitten en ineens veel meer opvallen. Ja er is nog steeds veel te zien. Een heel opvallende verschijning is wel de Gewone Vleugelnoot ( Pterocarya fraxinifolia ). Een boomsoort die je niet overal tegen komt. In Haren staan er ook maar een klein aantal, o.a een fraai excemplaar op de Eshof. De vleugelnoot is inheems in de Kaukasus en Noord-Iran. Hij hoort tot de familie van de walnoot ( Juglandaceae ). Het wordt een grote boom, zo tegen de dertig meter hoog. Omdat hij een lage stam heeft wordt hij het meest aangeplant in parken. Het is een liefhebber van voedzame en wat vochtige grond. In april gaat hij bloeien met dikke groene mannelijke katjes en sliertige vrouwelijke katjes met rode stampertjes. De daaruit groeiende vruchten zijn groen en gevleugeld en zitten met een groot aantal bijeen aan een steel van 30 tot soms wel 50 cm. lang. Het blad kleurt in de herfst prachtig goud-geel. De lange slierten blijven daarna nog een tijd aan de boom totdat ze gedurende de winter afvallen. Aan de groene kale takken kunnen we dan de apart gevormde knoppen zien. De vorm van de blaadjes is heel duidelijk te zien en zitten niet ingepakt in een warme winterjas zoals veel andere bomen. Zulke knoppen noemen we naakte knoppen. Je zal maar zo spiernaakt de winter door moeten. Doe mij maar een dikke jas!

naakte blad- en mannelijke bloemknop in de winter


zondag 20 november 2011

LICIFERS OP KURKDROGE HEI



Rode heidelucifer

Zaterdag, het is mistig en het vriest een beetje. Samen met mossenliefhebbers de hei op. Enkele meters van de auto's verwijderd, de eerste mossen. Op een vierkante meter en een boomstam tellen we al gauw zes soorten mos. De korstmossen laten we deze dag vrijwel geheel links liggen. Na een paar stappen op de hei al de volgende mossen. Het is koud en sommige mosjes zijn bevroren. Met stijve vingers de loep vasthouden valt niet mee. Gelukkig zien we zon door de optrekkende mist verschijnen. Langzamerhand wordt het warmer, de mist verdwijnt. Een heerlijk zonnetje ontfermt zich over de kromme ruggetjes van de moszoekers. Heide klauwtjes-, ruig haar- en zand haarmos komen voorbij. Ineens blijft de meute rechtop staan. Behalve de loepen waren er ook verrekijkers mee genomen. Op het topje van een tak zit een klapekster. Hij laat zich goed bekijken tot hij het genoeg vindt en een ander boom opzoekt. We strompelen door de hoge hei en pollen pijpenstrootje in de richting van een ven. Op een kaal open stukje in de hei staan ze er ineens, de Rode heidelucifers ( Cladonia floerkeana ). Zo'n heidelucifer is net als alle andere korstmossen een gewas dat bestaat uit twee verschillende lagere planten. Het is een samenwerkings verband van een schimmel en een alg. Soms doet ook nog een bacterie mee in het spel. Bij onze lucifer is dat echter niet het geval. Twee in een plant, hoe planten ze zich dan voort? Wel, de schimmel is in staat sporen te vormen aan de top van de plant. Hier zijn dat de rode luciferskopjes. Het kan ook gebeuren dat afgebroken stukjes worden vespreid door de wind, water, dier of mens. Ze komen dat niet zo ver als de sporen, maar het is wel een succesvolle manier, want de sporen moeten maar zien of ze terecht komen bij de juiste alg. Een sterk op de rode heidelucifer lijkende soort is het Rood bekermos ( Cladonia coccifera ), die we even later ook nog tegenkomen. Een vlucht kraanvogels trekt voorbij als we in de nattigheid van het ven aankomen. Water-, Gewoon- en Gerimpeld veenmos worden tevoorschijn gehaald. Echte hoogveenplanten zijn het. Er groeit ook een mooi tapijtje veenbessen met hier en daar nog een besje. Langzaam gaat het weer richting parkeerplaats. Kronkelsteeltje, Sikkelsterretje, Knopjesmos, Pluisjesmos en nog een aantal andere mossen begeleiden ons. Het is aangenaam zonnig, aan een picknick tafel eten we een boterham en nemen een bakje koffie of thee. Dan nog even terug om een foto te maken van de klapekster. Als dan ook nog een vrouwtje Blauwe kiekendief langs komt, is de dag meer dan geslaagd en gaan we huiswaarts.

Rood bekermos


vrijdag 18 november 2011

WINTERLEF



Kleine wintervlinder - Operophtera brumata

Daar gaat ze, de boom in. Vanmorgen was ze uit haar pop gekropen. Als rups had ze zich het afgelopen voorjaar vol gepropt met de blaadjes van de haagbeuk. Daarna had ze zich aan een lange zijden draad naar beneden laten zakken. In de grond vlak onder het mos een stevig coconnetje gesponnen en was gaan slapen. Terwijl ze sliep was ze langzaam in een pop veranderd. De hele zomer en herfst had ze daar zo gelegen. Gras- en vetermaaiers hadden het gras boven haar cocon kort gehouden. De vogels, altijd op zoek naar een lekker hapje, hadden haar niet gevonden. In de herfst had de haagbeuk zijn bladeren als een goudgele deken over haar uitgestrooid. Kort geleden waren er mannen gekomen met bladblazers en harken. Al het blad was weggehaald. Het werd kouder, de eerste nachtvorsten waren geweest. Haar tijd was aangebroken. De Kleine wintervlinder had zich uit haar pop geworsteld. Nu is ze op weg naar boven, naar de kroon van de boom. Vandaar gaat ze naar een takje tot ze een mooie knop heeft gevonden. Een hele klim is dat. Ze heeft geen vleugeltjes, alleen maar een paar stompjes. Naar de knop toe vliegen gaat dus niet. Even rust ze uit. De dag is al half om en ze is nog maar een anderhalve meter opgeschoten. Straks als het donker wordt komen de mannetjes. Die hebben wel vleugels en gaan op zoek naar de omhoog klimmende vrouwtjes om te paren. Kijk daar zit er al eentje verstopt achter een stukje schors. Snel klimt ze verder. het mannetje heeft haar gelukkig niet in de gaten. Dat scheelt een stuk gesleep. Onder het paren klimt ze gewoon door en moet ze het mannetje mee omhoog sjorren. Snel verder en maar hopen dat de boomkruiper in de andere boom haar niet ziet. Het korte leven van het ploeterende vrouwtje zit vol gevaren. Ze zal blij zijn als alles straks achter de rug is en ze haar eitjes heeft gelegd de komende nacht. Dan is haar werk gedaan en kan ze voor eeuwig rusten gaan. 

het nog wat duffe mannetje


donderdag 17 november 2011

PEER OF ATISJOK


bloem in juli


Een jaar of drie geleden kocht ik een maaltje aardperen bij de groentenboer. Een mooie dikke knol heb ik geplant. Het eerste jaar groeide daar een stengel uit van meer dan twee meter hoog. Het jaar daarop een stuk of vijf. Dit jaar veel meer en veel te hoog. Een enkeling bleef rechtop staan, een aantal echter gingen na een winderige dag naar alle kanten hangen. Een slordig gezicht, dus een stok er bij en ze aangebonden. In juli stonden er een paar in bloei. De aardpeer ( Helianthus tuberosus ) is een regelrecht familielid van onze zonnebloem ( Helianthus annuus ), zoals aan de geslachtsnaam te zien is. De aardpeer is een vaste plant dit in tegenstelling tot de zonnebloem die eenjarig is. Van de een zijn de knollen eetbaar van de ander de zaden. De aardpeer komt oorspronkelijk uit Noord-Amerika en Canada. In de zeventiende eeuw kwam hij via Frankrijk naar Europa. Daar noemde men hem Topinambour en in Engeland kreeg hij de naam Jerusalem artichoc. Voor de komst van de aardappel was het een belangrijk knolgewas in de keuken. Na een tijd uit de gunst geweest te zijn is hij nu bezig met een come-back. Er zijn al restaurants die hem op de kaart hebben staan. Het is een erg voedzaam gewas en heeft een gunstige werking op de darmen. Hij smaakt wat zoetig, waar je van moet houden. Door de inuline die hij bevat werkt hij goed bij mensen die last hebben van diabetes. Het voert te ver hier een aantal recepten te noemen, maar op internet staan er vele. Nu, na de nachtvorst, is de plant afgestorven en kan er geoogst worden. Ik heb er eerst maar een knol uitgehaald om te zien of ze goed gegroeid zijn. Dat is inderdaad het geval. De rest laat ik nog even zitten, ze zijn volkomen winterhard, tot er meerdere eters zich aandienen. Dan zal ik er iets smakelijks van kokkerellen. Terwijl ik de knol op het aanrecht leg beweegt er iets wat ik nog niet had gezien. Dichterbij zie ik achter een schubje een spierwit bladluisje tevoorschijn komen. Dit witte beestje had onder de grond lekker aan mijn aardpeer zitten zuigen. Dit is dus een ondergrondse aardpeerluis of zoiets. Inderdaad zijn er een aantal soorten bladluizen die aan ondergrondse plantendelen zuigen. Moeilijk te bestrijden met brandnetelgier of een sopje met spiritus lijkt mij. Dus laat ik ze hun gang maar gaan daar ondergronds en veeg ze er na het rooien wel af.

mooie verse knol

het witte luisje


dinsdag 15 november 2011

HOEZO, ROT

In mijn tuin staat een jong mispel boompje, nog maar anderhalve meter hoog. In mei stond hij in volle bloei. Na deze rijke bloei zag ik in juni steeds meer bloemen geen vrucht zetten. Zou er wel iets van terecht komen? Had hij zich dood gebloeid? Nu in november hangen de dunne takjes zwaar doorgebogen van vierentwintig prachtig brons gekleurde vruchten. Ze zijn klaar om te oogsten. De eerste nachtvorstjes zijn geweest. Binnenkort zal ik ze oogsten en een paar dagen in de kelder laten narijpen. Dan zijn ze zacht en klaar om te worden gegeten of gelei of moes van te maken.
De mispel, Mespilus germanicus, is al een heel oud fruitgewas. Dit familielid van de appels en peren werd al meer dan drieduizend jaar geleden gekweekt in Noord-Iran. Via Griekenland kwam hij zo'n 2200 jaar geleden in Rome terecht. Doordat hij erg rijk aan vitamine C was, werd hij door de Romijnen door Europa verspreid. Vooral in Frankrijk en Duitsland was dat het geval. In Nederland werd hij in de middeleeuwen aangeplant in kloostertuinen. Vanuit tuinen en kwekerijen kwam hij terecht in bossen en houtwallen, waar hij verwilderde en ingeburgerd raakte. Linneus dacht dat de struik inheems was in Duitsland vandaar zijn tweede naam, germanicus. In ons land is de mispel vooral ingeburgerd in Zuid-Limburg. Deze verwilderde vormen hebben over het algemeen kleine vruchten met grote pitten en weinig vruchtvlees. De laatste jaren stijgen ze weer in aanzien. Er zijn nieuwe rassen gekweekt met grote vruchten. Bij een goed gesorteerde groentenzaak zijn ze tegenwoordig in het schap te vinden. Eens proberen? Prima maar eet er niet te veel van, want naast de vitamine C rijkdom werken ze ook...........laxerend!

maandag 14 november 2011

AAN ZIJDEN DRAADJES

Mist, vorst in de kist. Een oud gezegde. Al een paar dagen is het 's nacht en in de ochtend mistig. Een nachtvorstje hebben we ook al gehad. Het is de tijd van weinig zicht en mogelijke gladde wegen. Zondagnacht was er al gestrooid in de gemeente Groningen en niet zo zuinig ook! Er zaten bijkbaar nogal wat kluiten in het zout. Op enkele plekken was het alsof ik door een kiezelbed reed. Vanmorgen keek ik uit mijn slaapkamerraam, nog steeds mistig. Nog even weer kruip ik in mijn warme bed. Na een uurtje toch maar opstaan en in de kleren, nog steeds mist. Nu ik wat beter kijk zie ik ook dat er hier en daar wat rijp aan de takjes van de sierappel zit. Naar beneden, jas en klompen aan, fototoestel om de nek en naar buiten. Hier en daar glinsterende spinnenwebjes. Echte rijp is het eigenlijk niet, het zijn meer bevroren mistdruppeltjes. Ik schiet een hele serie foto's totdat mijn vingers stijf van de kou zijn. Het is nog steeds beneden nul, bijna twee graden beneden het vriespunt. Binnen bij de kachel en een kop koffie kijken hoe de foto's zijn geworden. Het is te zien dat het koud was en dat ik veel te veel en te vlug had geknipt. De meeste foto's kunnen weggegooid. Een enkele bewaar ik omdat het de eerste rijp is van dit seizoen. Het wachten is nu op de echte winter. 

zondag 13 november 2011

RIMPELIG

De haagbeuken hebben al hun blad afgeworpen. De grond is bedekt met een dikke laag goudgeel blad. Dat kan zo niet blijven. De onderhoudsploeg op de begraafplaats is al dagen bezig het blad te ruimen. Het blad is lekker droog dus zwaar is het niet. Goed dat het niet erg hard waait, anders is het slecht op te scheppen. Onder het blad liggen de laatste paddenstoelen verstopt. Het zijn er niet zo veel meer, veel minder ook dan het vorig jaar. Al vaak had ik gekeken bij het randje langs het asfaltpad. Daar staan ze elk jaar, maar tot nu toe heb ik ze niet gezien. Zouden ze er nog wel zijn? Zouden ze wegblijven net als de mooie gele knotszwammetjes en de aardtongen? Nu de bladblazers hun werk hebben gedaan nog maar even kijken. Ja, ze zijn er weer de Rimpelige koraalzwammetjes ( Clavulina rugosa ). Ze zijn wat wittig van kleur, vijf tot acht centimeter hoog en verschillen onderling nogal van vorm. Zijn ze bijzonder? Nee niet echt. Heel erg mooi? Nou nee dat eigenlijk ook niet. Maar ze horen daar gewoon net als ieder jaar. De meeste mensen lopen er aan voorbij. Je moet weten dat ze er zijn en als ik ze dan weer terug zie stemt mij dat blij. Ze horen er nu eenmaal helemaal bij.

vrijdag 11 november 2011

HOOIWAGEN


uitgestrekt in de ondergaande zon

Zo, alle planten en bollen zitten in de grond. Net op tijd want de nachtvorsten komen er aan. Rommel opruimen en het gras nog even maaien. Het lijkt al weer een stuk netter. Gereedschappen schoonmaken en opbergen en dan een kop koffie. Even een rondje door de tuin en een foto maken en klaar, de dag is al bijna om. Voor ik naar binnen ga de brievenbus legen en dan........ Wat zit daar onder de poort in het licht van de ondergaande zon? Het is een hooiwagen. Plat tegen de muur gedrukt met de poten gestrekt. Vier naar links en vier naar rechts. Eerst maar wat foto's maken dan naar binnen om het beest op naam te brengen. Nou dat gaat gemakkelijk. Er is er maar eentje die er zo uit ziet. Het is de Strekpoot ( Dicranopalpus ramosus ). Vaak worden de hooiwagens als spin gezien. Dit is niet juist. Hij hoort wel tot de spinachtigen. Net als de mijten en spinnen hebben ze acht poten. Maar dan houdt de vergelijking ook op. Ze kunnen geen web maken. Ze hebben niet de daarvoor benodigde spintepels zoals echte spinnen. Ook hebben ze geen gifkaken. Ze knippen hun prooi in stukjes met schaartjes die lijken op de scharen van krabben en kreeften. Als je hem beet pakt en onderste boven houdt, kun je ze met een vergrootglas goed zien. In ons land komen ongeveer 30 soorten hooiwagens voor. Over de hele wereld zijn dat er ruim 7000. Vooral de laatste jaren is het aantal soorten in ons land vrij snel toegenomen. Zuidelijke dieren uit Zuid-Europa en Noord-Afrika hebben ons land bereikt. Of dat komt door de opwarming van onze wereld weet ik niet, maar zou wel kunnen. Met name deze Strekpoot is hier snel ingeburgerd. Zijn vaderland is Marocco, vanwaar hij in 1993 voor het eerst Nederland bereikte. Tegenwoordig is hij overal algemeen, zelfs in ons eigen "Hoge Noorden".
In de late zomer en herfst is hij volwassen en gemakkelijk te vinden.

Eng? Hij doet niks hoor.


donderdag 10 november 2011

VAN ONDEREN

Het is weer zover. In mijn agenda staat genoteerd dat mijn kiezen en tanden een schoonmaakbeurt moeten hebben. Daar lig ik dus, languit bij mijn gebidsreiniger. Ik vind die stoelen ondingen, ze liggen allerberoerdst.
Hard en ongemakkelijk. Wanneer bedenkt iemand eens een stoel met een lekker zacht foam kussen? Het is een aardige dame die mijn kauworganen onder handen neemt. Pijn doet het haast niet, ondanks het gebruik van haken en schuurapparaten. Alles is weer schoon en ik mag weer naar huis. Buiten voor het pand is een gazon met een aantal kastanjebomen. In de zeventiger jaren was daar een plein met gewassen grindtegels, kastanjebomen in kleine plantvakjes en een zandbak. De buurt was nog jong. Een supermarktje en een fietsenwinkel waren er ook. Vijftien jaar later waren de kinderen groot, supermarktje op de fles en de fietsenwinkel verhuisd. Tijd om de tegels op te ruimen en de bomen meer levenskans te bieden. De bomen staan er nog steeds. Enkelen hebben zich goed hersteld en zijn flink gegroeid. Niet allemaal echter. Vlak voor me staat er eentje die het niet goed doet. Er zitten slechte plekken op zijn stam, beschadigd door waarschijnlijk een vrachtwagen of een bouwkraan. Die waren nodig geweest om het pand aan te passen tot praktijkruimte voor tanden- en kiezenverzorgers en dokters. Ik kijk de boom zo eens aan en zie iets bijzonders. Aan een kant zit een rijtje zwammen de hoeden dakpansgewijs over elkaar. Het water loopt mij in de mond! Het zijn Oesterzwammen ( Pleurotus ostreatus ). Het is een paddenstoel die graag groeit op zachte houtsoorten. Je komt ze tegen op lijsterbes, populier en kastanje dus. Het is een soort die je juist in de winter tegen komt. Een smakelijke zwam en geen wonder dat hij tegenwoordig in grote antallen wordt gekweekt en te koop is. Maar zo'n lekker hapje, zomaar voor je neus, dat kun je natuurlijk niet  laten zitten. Twee handen vol neem ik mee naar huis en eet ze smakelijk op.

dinsdag 8 november 2011

NEOFIET

Een neofiet is een een nieuwkomer, een plant die hier vroeger niet voor kwam. Toen hij echter eenmaal voet in de grond kreeg, niet meer wegging en zich gestaag door ons land verspreidde. Zo eentje heb ik in mijn tuin en ben er erg blij mee. Het is het Bezemkruiskruid ( Senecio inaequidens ). Het is een vaste plant die de hele zomer bloeit en dat vol houdt tot in december. Mooie heldergele bloemen op stengels tot soms wel een meter hoog. Het is een plant die oorspronkelijk voorkomt in Zuid-Afrika. Hij groeit daar op stenige grond, lekker in de zon. Hij is meegekomen in wol en vond in 1890 een plekje in Duitsland. Het is een familielid van onze paardenbloem en heeft dus zaadjes met een pluizig parapluutje. De wind , zijn grootste vriend heeft hem Europa in geblazen. In ons land voor het eerst in 1939 bij Tilburg en later in 1942 ook bij Breda. Er wordt gezegd dat het een treinreiziger zou zijn. Langs de spoorwegen ( stenig en zonnig ) is hij vanuit het zuiden ook in Haren beland. Nu is hij bezig Oost-Europa te veroveren. In mijn tuin hou ik hem goed in de gaten. Als er te veel jonge plantjes opkomen wied ik ze weg. Het uitzaaien valt trouwens reusachtig mee als de grond goed bedekt is met andere planten. Om te ontkiemen moet er wel licht en ruimte zijn. Het zal me benieuwen of er na de renovatie van de tuin ineens veel meer opkomen. De zaadjes blijven hun kiemkracht tientallen jaren behouden. Net als het Jacobskruiskruid is het ongezond hem op te eten. Vooral vee en dan met name paarden kunner er heel ziek van worden, zelfs aan dood gaan. Levende planten worden niet gegeten, maar gedroogd tussen het hooi worden ze niet herkent. Als tuinplant vind ik het een pracht plant. Omdat hij zo lang doorbloeid zitten er nog steeds allerlei insecten op, vooral zweefvliegen, maar ook honingbijen en hommels. Het is een gezonde plant, geen last van allerlei ziekten of dieren die er aan vreten. Alleen een bladluis van het Jacobskruiskruid heeft hem ontdekt. Misschien dat in de toekomst ook de mooie Sint-Jacobsvlinder met zijn zwart-geel gestreepte rupsen hem weet te vinden. Van mij mag het het.

maandag 7 november 2011

HULPJE 03

Alweer een hulpje? Ja zeker. Als je goed bezig bent in en met de natuur, ook in je tuintje, kom je heel wat hulpjes tegen. Het volgde hulpje is een heel bijzonder beestje. Het is de Kelderpissebed ( Oniscus asellus ). Een heel algemeen voorkomend diertje en is vrijwel overal te vinden. In ons land komen zo'n 37 soorten voor en wereldwijd zijn ruim 900 soorten bekend. Het is eigenlijk een soort kreeftachtige, die het ooit in zijn kopje heeft gehaald op het land te gaan leven. Ze houden dan ook van een vochtige omgeving en ademen door kieuwen. Ze hebben zeven paar pootjes en zeven segmenten. Als ze geboren worden hebben ze er echter maar zes. Pas na een aantal vervellingen krijgen ze er zeven. Dat vervellen gaat hun hele leven door en gebeurt in twee helften. Eerst het achterste deel en dan het voorste, soms net andersom. De uitgetrokken jas eten ze dan op om er weer de bouwstenen uit te halen voor een nieuwe. Behalve van vochtige, houden ze ook van donkere plekjes. Ze zijn dan ook vaak te vinden onder stenen, stukken hout, in composthopen en op vochtige keldermuren. Het zijn nachtdieren, die goed kunnen klimmen. In holtes hoog in oude bomen kun je ze dan ook zeker tegen komen. Ze worden anderhalf tot twee jaar oud en planten zich snel voort Het wijfje draagt haar bevruchte eitjes in een soort waterzakje onder haar lijf met zich mee. Zodra de jonkies zijn uitgekomen is er weer plaats voor een volgende generatie. Zo kunnen er in korte tijd grote kolonies ontstaan.
Ze eten vanalles, maar het liefst rottend plantaardig materiaal. Is daar niet genoeg van voorhanden, dan lusten ze ook wel iets van zachte vlezige nog levende plantendelen. Dood dierlijk voedsel nemen ze bij tekorten ook wel tot zich. Indien het heel extreem slecht is met de voedselvoorziening eten ze zelfs hun uitwerpselen om de nog aanwezige voedingsstoffen er uit te halen. Door het omzetten van dood organisch materiaal leveren ze een positieve bijdrage aan de voedselvoorziening van de planten in mijn tuin. Humusmakers dus.
Daarom is het dus zo belangrijk de tuin niet super netjes aan te harken. Geef ze te eten door wat blad en afgestorven planten te laten liggen.

zaterdag 5 november 2011

HULPJE 02



moederspin

Er zijn vele helpers in mijn tuin. Ze helpen mee het evenwicht in stand te houden tussen goed en kwaad. Met het kwaad bedoel ik dan de wezens die mijn planten belagen of mij zelf. Natuurlijk wil ieder beest leven en zorgen voor zijn familie en nageslacht. Alles goed en wel maar er moet niet een soort de overhand krijgen. Het is al net als in de mensenwereld. Zodra daar een groep de overhand krijgt willen ze de rest naar hun hand zetten. Niet goedschiks dan maar kwaadschiks. In de natuur liggen de verhoudingen wel iets anders. Het gaat om in leven blijven en zorgen voor de instandhouding van de soort. Dat is een heel groot verschil met menselijke machtswellustelingen. Genoeg daarover. Laat ik me maar bij de bloemetjes en de beestjes houden en er van te leren en over te schrijven. Behalve dat kan ik me ook erg verbazen over hoe het allemaal in elkaar steekt. En vooral er van te genieten, hoe wreed de natuur soms ook kan lijken. Zoals ik al zei, soms is het goed dat er kleine helpertjes zijn die de zaak wat reguleren. Deze keer is het mevrouw de kruisspin. Haar deftige naam is Araneus diadematus. Ze hoort tot de familie van de wielwebspinnen ( Araneidae ). In haar web vangt ze allerlei insekten. Vliegen, wespen, muggen om maar een paar te noemen die soms lastig kunnen zijn. Voor dat dankbare werk gun ik haar dan ook af en toe wel een mooie vlinder of lekkere zweefvlieg. Vooral in de herfst, als het mistig is kunnen we de prachtige wielwebben op hun mooist zien. Dan zijn het vooral de vrouwtjes die opvallen met hun groot bol achterlijf middenin het web. De mannetjes zijn veel magerder en zien we over het algemeen minder vaak. Gewoon omdat ze ons niet zo erg opvallen. Na de paring verdwijnen ze langzamerhand, sterven of worden na de paring opgegeten door de dames. Ze hebben hun werk gedaan en zijn dan nutteloos. Je zal maar spinnenman zijn! In de herfst legt ze dan haar eitjes, verstopt in een door haar zelf gemaakte cocon. Lang blijft ze er bij waken, tot ze aan het eind van de herfst sterft. Het volgend jaar, zo ergens in mei komen dan de jonge kruisspinnetjes uit hun cocon gekropen. Enige tijd blijven al die kleine wriemelaartjes nog op een kluitje bijelkaar zitten. Als je er dan een tikje tegen aan geeft spatten ze als het ware alle kanten uit. Langzamerhand zoekt elk spinnetje zijn eigen plekje en kunnen we in de nazomer en herfst weer genieten van hun prachtige webjes.

ei-cocon


vrijdag 4 november 2011

HULPJE 01


Epibal met volle maag en de resten van zijn maaltijd

Vandaag maar ietsje kalmer aan. De gewrichten kraken van al het zware werk. Bovendien is het te mooi weer om je in het zweet te jagen. Mijn thermometer wijst rond de middag al meer dan zestien graden aan. Na het boodschappen doen struin ik rustig wat door de tuin. Hier en daar nog wat rondslingerende takjes opruimen en een kopje koffie buiten in de zon. Vlak voor me kruipt een wesp langs een stengel omhoog. Hij heeft een groen rupsje in zijn kaken. Boven aangekomen strekt hij de vleugeltjes en zoekt elders een plekje om van zijn prooi te genieten. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat er nog ergens een nest is met hongerig broed. Zweefvliegen zijn nog steeds actief en struinen alle planten met bloeiende bloemen af. Vandaag bloeien er in mijn tuin maar liefst 45 verschillende soorten planten. Niet allemaal even rijk, maar toch genoeg voor de rondzoemende insekten. Zelfs een dikke hommel komt zwaar brommend voorbij Even later weer een zware bromtoon. Het is een hoornaar ook op zoek naar wat lekkers. Eerlijk gezegd bevalt dit weer me wel. Droog, aangenaam warm en weinig wind. Op de goudgele bladeren van een lelie zie ik wat zitten. Dichterbij gekomen zie ik de larve van de pyjama zweefvlieg ( Episyrphus balteatus ). Door insektologen vaak kortweg Epibal genoemd. Het is een heel algemeen voorkomende zweefvlieg. Je kunt hem zelfs tegenkomen op een bloembak met geraniums op de tiende verdieping van een flat. Het is een zeer nuttig beestje. De vlieg zorgt voor de bestuiving van allerlei planten, maar zijn kind mag er ook wezen. Eigenlijk ben ik daar veel meer in mijn nopjes. Het madeachtige kind heeft een enorme eetlust. Op haar menu staan bladluizen en die zijn er genoeg in mijn tuin. Op de nog steeds bloeiende roos zitten ze zelfs op de bloemknoppen. Laat baby Epibal maar zijn gang gaan!

vette bladluis


donderdag 3 november 2011

EVEN VOORSTELLEN


mijn vriendin met de witte veertjes
 Zoals ik al schreef, is mijn vriendin-merel weer helemaal terug. Tijdens het werken in de tuin houdt ze alles goed in de gaten. Ziet ze wat op de grond dat eetbaar is, hup uit de heg en weg is de worm of een ander beestje. Ik praat tegen haar en dat doe ik al drie jaar. Ze is gewend aan mijn stem en laat mij tot een goeie meter bij haar komen. Vaak zit ze ergens in de heg en als ik er dan aankom gaat ze op een plek zitten waar ze alles goed kan bekijken. Het is nu nog mooi weer en er is genoeg te eten. Samen met andere vedervriendjes doet ze zich tegoed aan mijn sierappeltjes. Straks als het kouder wordt komt ze naar de voedertafel. Als ik dan 's morgens voer op de plank wil leggen, zit ze al in de heg bij het poortje te wachten. Als het dan nog wat schemerig is en ik haar niet in de gaten heb springt ze vlak voor me uit de heg en gaat op de plank zitten. Een enkele keer blijft ze zelfs zitten op het randje van de plank. Appels, daar is ze helemaal gek op, vooral in de winter als er sneeuw ligt. Andere merels die ook wel een appeltje lusten worden terstond de tuin uit gejaagd. Wanneer in het voorjaar de nestdrang zich weer laat gelden, dan mag er een mannetje blijven. Alleen als hij mooi zingt natuurlijk. Ik zal haar de komende tijd goed verwennen en hoop dat ze in 2012 een paar jongen groot kan brengen. En dat ze nog heel lang mijn vriendinnetje wil blijven.

woensdag 2 november 2011

AL WEER EEN KLEINTJE

Blijkbaar heb ik een goede bril. Op de meest onverwachte ogenblikken zie ik kleintjes. Soms zijn het plantjes, mosjes of paddenstoeltjes, dan weer zijn het beestjes. Zo ging het vandaag ook weer. De hele dag druk met het inkorten van de beukenheg en als ik dan naar binnen wil om wat te drinken is het weer zo ver. Op de witte muur zit een akelig klein beestje zo'n 1.5mm. klein. Het viel mij op door zijn donkere kleur. Fototoestel er bij en op de plaat gezet. Moeilijk om een scherpe foto te krijgen, maar het is gelukt. Het is een zogenaamde springstaart. Men noemt het wel een oerinsekt. Of het werkelijk een insekt is, daar is men het nog niet helemaal over eens. Onderzoek aan DNA zal ons wel verder helpen. Zijn naam heeft hij te danken aan een soort springorgaan dat onder zijn lichaam zit. Bij gevaar veert het los en het beestje schiet door de lucht en ontsnapt zo aan eventuele rovers. Springstaarten zitten overal op de wereld. Op Antarctica en de Himalaya op sneeuw, aan de kust zelfs op zeewater. In droge woestijnen, maar vooral op vochtige plaatsen. Er zijn meer dan 8000 soorten beschreven en geloof maar dat er heel veel nog niet ontdekt zijn. Ze eten schimmels, algen, bacterien en rottende plantendelen. In dierenwinkels worden ze wel gekweekt om als voer te dienen voor kleine terrarium dieren. Mijn springstaartje zou Dicyrtoma fusca kunnen zijn, maar heel zeker weet ik dat niet. Dat zou met een microskoop moeten worden uitgezocht. Bovendien heb ik geen determinatie tabel en.... de tuin roept.

dinsdag 1 november 2011

MILIMETER-WERK




"Phlox kelkje"

Nog steeds mooi weer. De hele dag weer bezig in de tuin. Bek af, maar de meeste planten zitten weer in de grond. De bollen zitten er ook in. Mijn merelvriendin trippelt en hipt weer in mijn buurt en pikt links en rechts lekkere hapjes uit de omgewoelde grond. De berg plantenresten vindt ze ook een uitdaging. Driftig harkt ze met de pootjes vanalles aan de kant. Af en toe gebruikt ze ook haar snavel om zaken aan de kant te gooien of om te keren. Ik ben blij dat ze weer terug is. Een tijd lang durfde ze niet zo goed meer mijn tuin in. Alle vijf haar nesten werden dit voorjaar geplunderd. Zelf is ze een keer ter nauwernood ontsnapt, wat te zien was aan haar veertjes in de takken rond haar nest. Fijn dat ze er weer is, ook omdat ze het komende voorjaar dan weer de engerlingen en meikevers te lijf gaat in mijn grasveldje. De berg afval moet wel afgevoerd worden straks. Nu laat ik haar eerst maar harken en spitten. Er stonden nog wat vaste planten in potten te wachten op een plekje in mijn tuin. Omdat er veel mos en ongewenste planten in die potten waren gegroeid, moesten ze goed uitgeklopt worden voor ze de tuin in konden. Op een oud afgestorven stengelstuk van een Phlox zag ik iets groeien. Van dichtbij bekeken waren het paddenstoeltjes, maar wel heel erg klein. De grootste was nog geen 2 mm. hoog. Het zijn zogenaamde Ascomyceten, zakjeszwammen in het Nederlands. Hele kleine dingetjes zijn het die vaak te vinden zijn op dode stengels van bijvoorbeeld aardappels en brandnetels en vaste planten dus. Ze zijn moeilijk op naam te brengen. Op een oude eikenstronk die verlegd moest worden zaten ook tientallen van deze kleine dingetjes aan de onderkant en in de holten. Dit is waarschijnlijk het sneeuwwit franjekelkje ( Dasyscyphella nivea ). Gelukkig horen bij deze groep zwammen ook grotere en duidelijk herkenbare soorten. Zwarte kluifzwam en Oranje bekerzwam zijn daar een goed voorbeeld van.

Brandnetelkelkje

Grote oranje bekerzwam


maandag 31 oktober 2011

ONDERAARDS GEWRIEMEL


hoogtezon

Dacht ik na de eerste nachtvorst het is gebeurd, de winter komt eraan. Niets is minder waar. Het lijkt wel of de opwarming van onze aardkloot een sprintje trekt. Vanmiddag fladderde mevrouw Atalanta van het ene zonnebad naar het andere. Lekker zonnen op goudgeel beukenblad. Vandaag was mijn hardwerken dag. Een hoek van de tuin is toe aan een renovatie. Alle planten eruit, de grond los spitten en compost er door mengen. Daarna moeten de planten worden gescheurd en de jonge scheuten worden teruggeplant. De tulpen, narcissen en al het kleine bolletjesspul moeten ook nodig de grond in. Een tegelpad midden door de border moet er komen. Zo kan straks overal beter bij. Je haalt je wat op de hals, maar eenmaal begonnen, moet je door. Tijdens dat gewroet kom ik allerlei beestjes tegen. Veel spinnen en spinnetjes van verschillende soorten. Loopkevertjes, een leliehaantje en pissebedden. Mijn groene kikkers hadden zich al ingegraven onder het mos. Lodderig kijken ze me aan. Gelukkig heb ik er niet een geraakt met de schop of de mestvork. Ik zet ze aan de andere kant van de tuin tussen de takken van de houtril. Snel opgewarmd door de zon kruipen weg. Daar zal ik ze niet meer storen. Een diertje wat ik vaak tegen kom is de tuinduizendpoot ( Haplophilus subterraneus ). Zodra ze het daglicht zien beginnenze te kronkelen, zoeken een plek met losse aarde op en verdwijnen zo snel mogelijk weer onder de grond. Soms zijn ze bijn 10 cm. lang, geel van kleur en met heel veel pootjes, zo tussen de 77 en 83 paar. Wel iets minder dan duizend dus. 


duizend pootjes ?


zondag 30 oktober 2011

NAJAARSNACHTEN

Het is al een poosje herfst volgens de kalender. Ook de weermannen en vrouwen hebben het al een tijd geleden gezegd. Het is ook wel te zien. Bomen en struiken vervangen het groen van de zomer door prachtige kleuren. Fel oranje, rood of goud, dan weer zacht rose, geel of bruin. Vaak meerdere tinten per blad. Intussen dalen zachtje deze kleuren naar beneden op zwart asfalt en groen gazon. De lucht vult zich met geuren die doen denken aan een winkel vol specerijen. Vogels vertrekken naar het zuiden en noordelingen komen. Het is een drukte van belang. Terwijl sommige dieren een plek zoeken om de winter door te komen, zijn er anderen die juist nu aktief worden. Nu alle fladderen juweeltjes als kleine vos, citroentjes, atalanta's en bonte zandoogjes zich niet mer laten zien, komen de de najaars nachtelijke fladderaars op dreef.

een mooie man
 Bij de buitenlamp die aangaat nu het steeds vroeger donker wordt is het druk. Helemaal druk wordt het als ik mijn vlinderlamp aan zet. Het felle menglicht trekt ze aan van grote afstand. Een heel mooie is wel de Gepluimde spanner ( Colotois pennaria ). Een makkelijk te herkennen vlinder. Het mannetje met zijn mooie geveerde voelsprieten en oranje-bruine kleur is een juweeltje. Met de warme nachten de komende dagen is het de moeite waard eens te kijken wat er bij een buitenlamp op de muur zit. Behalve dit mooie beest vliegen er nog meer soorten. Ben benieuwd wat er straks is neer gestreken.

vrijdag 28 oktober 2011

VEROVERAAR


een mooi  toefje groen

De hervormde kerk in ons dorp wordt grondig opgeknapt. Een goede zaak, want een dorp zonder dorpskerk is geen dorp. Hij is al heel oud. Er is veel rondom hem gebeurd. De zandweg werd klinkerweg en daarna asfalt. Rondom hem werden de doden begraven en was er markt en kermis. Na de boerderijen kwamen huizen en winkels. De paarden werden opgevolgd door tractoren en auto's. Rustig en statig staat hij daar. Al het gewoel in, op en om hem schijnt hem niet te deren. En om de vele duizenden euro's die het gaat kosten ligt hij al helemaal niet wakker. Straks als alles achter de rug is zullen de dorpelingen weer naar hem omhoog kijken. Kijken hoe laat het is of hoe het haantje in de zon staat te blinken. Als men goed kijkt is nog iets anders te zien aan de toren. Het zijn groene toefjes tussen de gemetselde stenen. Overal zitten ze, tot heel hoog. Het zijn de kleine groene veroveraars. De vederlichte sporen zijn door de wind hierheen gevoerd. Op de westkant vonden ze een plek in de kalkrijke voegen om te ontkiemen. Het zijn Muurvarentjes ( Asplenium ruta-muraria ). Al vele tientallen jaren zitten ze er, in de jaren twintig van de vorige eeuw werd er al over geschreven. Gelukkig wordt er rekening gehouden met hun aanwezigheid. De vorige torenrenovatie mocht ik er op toezien dat ze niet werden beschadigd. En nu? Zo te zien gaat het goed, heel goed zelfs. Het aantal varentjes is de laatste jaren toegenomen. Ze hebben bovendien hun woongebied vergroot. Op de muurtjes voor het Clockhuys groeien ze in overdaad. Laat ze maar rustig hun gang gaan, dan staan ze er  de komende vijftig jaar nog steeds en kunnen de mensen zich verwonderen over hun enorme levenskracht.

dinsdag 25 oktober 2011

DE LAATSTE TWEE

In de rest van ons landje regent het. Hier is ons hoge noorden schijnt nog de zon. Het waait wel, maar het is best te doen, zeker in mijn beschutte tuin. Hier en daar wat opruimen. Niet te veel, ik hou niet van een ouderwetse "winterklare" tuin. Graag laat ik van alles wat staan. Het is een bescherming voor de planten en de grond. Allerlei klein kruipspul kan zich er in verstoppen. Als dan straks de winter komt zitten ze veilig weggekropen. Er bloeit nog steed het een en ander. Van het Moederkruid     ( Tanacetum parthenium ) staan nog enkele te bloeien terwijl op dezelfde plant ook een al lang uitgebloeide stengel staat. Fijne planten vind ik dat. Ze zaaien zichzelf uit en als ze uitgebloeid zijn sterft de bloemstengel af en beginnen ze van onderuit weer uit te groeien en gaan weer bloeien. Aan een zo'n dode stengel vind ik de lege bloembodems. Alle zaadjes zijn al rondgestrooid, behalve van eentje, daar zitten nog twee zaadjes in. Ze wachten op een flinke windstoot of iets of iemand die er even tegen aanstoot. Het fototoestel halen en een foto maken en dan...............een flinke tik tegen de stengel en de laatste twee liggen op de grond. Daar kunnen ze straks ontkiemen en mij volgend jaar weer verblijden met hun mooie witte bloemetjes met helder gele hartjes.

maandag 24 oktober 2011

MEE-ETERS

Een mooie zonnige dag. Een dag om niet binnen te zitten. Er op uit dus! De staatsbossen bij Gieten is het doel. Het is er natuurlijk druk. De parkeerplaats staat vol auto's. Het is de laatste dag van de herfstvakantie. Mooie gelegenheid om de kinderen en de honden te laten uitrennen. Na een kwartiertje wandelen is het al weer rustig. Het gejoel en geblaf is nog slechts vaag te horen. Geen idee waar al dat volk is heen getrokken. Niet daarheen waar ik ga. Gelukkig maar. Een enkeling kom ik nog tegen, zeg goedemiddag en struin verder. Vaak net even buiten de paden, vooral als er dode boomstammen liggen. Zoeken en speuren naar paddenstoelen. De laatste keer dat ik hier was waren er ook al aardig wat te zien. Gek genoeg zag ik toen geen stinkzwammen, nu echter zijn ze volop te zien en te ruiken. Ze worden allemaal goed bekeken, maar een gesluierde dame zit er helaas niet bij. De route die ik loop is zeer afwisselend. Beukenbos, naaldbos, een stukje heide, eikenhakhout en wat stukken "natuurlijk bos" in wording. Russula's in ruime aantallen, Braakrussula ( Russula emetica ) mooi rozerood van kleur en Geelwitte russula ( Russula ochroleuca ) om maar een paar te noemen. Jammer dat ze allemaal waren aangevreten door slakken. Verder hele mooie bundels zwavelkoppen ( Hypholoma fasciculare ) op boomstobben. Elfenbankjes in soorten en heel veel Aardappelbovisten ( Scleroderma citrinum ). Vlak langs een paadje zit er een met twee paddenstoelen er stijf tegen aan. Het is de Kostganger boleet ( Xerocomus parasiticus ). De naam zegt het al het is een parasiet. Hij leeft op en van de aardappelbovist. Hierdoor wordt deze aardappelbovist van binnen hol en kan geen sporen meer vormen. Hoewel deze bovisten giftig zijn kunnen de kostgangerboleetjes wel gegeten worden door de mens. Het is een neefje van het eekhorentjesbrood, maar veel kleiner. Bovendien moet je goed zoeken. Ze zijn niet zeldzaam, maar ik kom meer gezonde aardappelboleten tegen dan exemplaren met kostgangers. Gelukkig maar voor de, toch wel mooie, aardappelbovisten 

zondag 23 oktober 2011

MINI-BOOMPJES



het boompjesmos

Op de Eshof liggen veel grafmonumenten. Heel veel verschillende van formaat en uitvoering. Op zich is dat al de moeite waard om te gaan zien. Een funeraire tentoonstelling van grafmonumenten zou je kunnen zeggen. Deze monumenten zijn gemaakt van verschillende steensoorten. Doordat er aan veel oude monumenten geen onderhoud meer wordt gepleegd gaan er mossen op groeien. Vanwege die enorme verscheidenheid aan steensoorten is een begraafplaats een heel aantrekkelijke plaats voor bryologen, zeg maar mossenkenners. Vooral op het oudste gedeelte van de Eshof zijn veel mossen te vinden. Bladmossen, levermossen en korstmossen. Door de manier waarop  de begraafplaats zelf wordt onderhouden groeien in het gras en onder de bomen ook nog eens veel andere soorten. Dan nog mossen die op de oudere bomen groeien. Kortom heel veel te zien en te ontdekken.
Op een paar graven met een grindbed ontdekte ik het Boompjesmos ( Climacium dendroides ). Het groeit als een klein boompje. Een stammetje met een boomkroontje, een aantal centimeters hoog. Doordat ze uitlopertjes vormen ontstaat er als het ware een klein oerwoudje  Dit mos kende ik van natte hooilandjes rond het Zuidlaardermeer en dacht dat het op deze plek veel te droog zou zijn. Dus de boeken maar eens op tafel. Daar staat te lezen dat het een vochtminnend mos is maar soms ook gevonden wordt op graven met een grind bedekking. Ze verdragen dan afwisselend perioden van natte en droogte. Een heel sterk plantje dus. 

mini oerwoud van boven gezien