dinsdag 8 november 2011

NEOFIET

Een neofiet is een een nieuwkomer, een plant die hier vroeger niet voor kwam. Toen hij echter eenmaal voet in de grond kreeg, niet meer wegging en zich gestaag door ons land verspreidde. Zo eentje heb ik in mijn tuin en ben er erg blij mee. Het is het Bezemkruiskruid ( Senecio inaequidens ). Het is een vaste plant die de hele zomer bloeit en dat vol houdt tot in december. Mooie heldergele bloemen op stengels tot soms wel een meter hoog. Het is een plant die oorspronkelijk voorkomt in Zuid-Afrika. Hij groeit daar op stenige grond, lekker in de zon. Hij is meegekomen in wol en vond in 1890 een plekje in Duitsland. Het is een familielid van onze paardenbloem en heeft dus zaadjes met een pluizig parapluutje. De wind , zijn grootste vriend heeft hem Europa in geblazen. In ons land voor het eerst in 1939 bij Tilburg en later in 1942 ook bij Breda. Er wordt gezegd dat het een treinreiziger zou zijn. Langs de spoorwegen ( stenig en zonnig ) is hij vanuit het zuiden ook in Haren beland. Nu is hij bezig Oost-Europa te veroveren. In mijn tuin hou ik hem goed in de gaten. Als er te veel jonge plantjes opkomen wied ik ze weg. Het uitzaaien valt trouwens reusachtig mee als de grond goed bedekt is met andere planten. Om te ontkiemen moet er wel licht en ruimte zijn. Het zal me benieuwen of er na de renovatie van de tuin ineens veel meer opkomen. De zaadjes blijven hun kiemkracht tientallen jaren behouden. Net als het Jacobskruiskruid is het ongezond hem op te eten. Vooral vee en dan met name paarden kunner er heel ziek van worden, zelfs aan dood gaan. Levende planten worden niet gegeten, maar gedroogd tussen het hooi worden ze niet herkent. Als tuinplant vind ik het een pracht plant. Omdat hij zo lang doorbloeid zitten er nog steeds allerlei insecten op, vooral zweefvliegen, maar ook honingbijen en hommels. Het is een gezonde plant, geen last van allerlei ziekten of dieren die er aan vreten. Alleen een bladluis van het Jacobskruiskruid heeft hem ontdekt. Misschien dat in de toekomst ook de mooie Sint-Jacobsvlinder met zijn zwart-geel gestreepte rupsen hem weet te vinden. Van mij mag het het.

maandag 7 november 2011

HULPJE 03

Alweer een hulpje? Ja zeker. Als je goed bezig bent in en met de natuur, ook in je tuintje, kom je heel wat hulpjes tegen. Het volgde hulpje is een heel bijzonder beestje. Het is de Kelderpissebed ( Oniscus asellus ). Een heel algemeen voorkomend diertje en is vrijwel overal te vinden. In ons land komen zo'n 37 soorten voor en wereldwijd zijn ruim 900 soorten bekend. Het is eigenlijk een soort kreeftachtige, die het ooit in zijn kopje heeft gehaald op het land te gaan leven. Ze houden dan ook van een vochtige omgeving en ademen door kieuwen. Ze hebben zeven paar pootjes en zeven segmenten. Als ze geboren worden hebben ze er echter maar zes. Pas na een aantal vervellingen krijgen ze er zeven. Dat vervellen gaat hun hele leven door en gebeurt in twee helften. Eerst het achterste deel en dan het voorste, soms net andersom. De uitgetrokken jas eten ze dan op om er weer de bouwstenen uit te halen voor een nieuwe. Behalve van vochtige, houden ze ook van donkere plekjes. Ze zijn dan ook vaak te vinden onder stenen, stukken hout, in composthopen en op vochtige keldermuren. Het zijn nachtdieren, die goed kunnen klimmen. In holtes hoog in oude bomen kun je ze dan ook zeker tegen komen. Ze worden anderhalf tot twee jaar oud en planten zich snel voort Het wijfje draagt haar bevruchte eitjes in een soort waterzakje onder haar lijf met zich mee. Zodra de jonkies zijn uitgekomen is er weer plaats voor een volgende generatie. Zo kunnen er in korte tijd grote kolonies ontstaan.
Ze eten vanalles, maar het liefst rottend plantaardig materiaal. Is daar niet genoeg van voorhanden, dan lusten ze ook wel iets van zachte vlezige nog levende plantendelen. Dood dierlijk voedsel nemen ze bij tekorten ook wel tot zich. Indien het heel extreem slecht is met de voedselvoorziening eten ze zelfs hun uitwerpselen om de nog aanwezige voedingsstoffen er uit te halen. Door het omzetten van dood organisch materiaal leveren ze een positieve bijdrage aan de voedselvoorziening van de planten in mijn tuin. Humusmakers dus.
Daarom is het dus zo belangrijk de tuin niet super netjes aan te harken. Geef ze te eten door wat blad en afgestorven planten te laten liggen.

zaterdag 5 november 2011

HULPJE 02



moederspin

Er zijn vele helpers in mijn tuin. Ze helpen mee het evenwicht in stand te houden tussen goed en kwaad. Met het kwaad bedoel ik dan de wezens die mijn planten belagen of mij zelf. Natuurlijk wil ieder beest leven en zorgen voor zijn familie en nageslacht. Alles goed en wel maar er moet niet een soort de overhand krijgen. Het is al net als in de mensenwereld. Zodra daar een groep de overhand krijgt willen ze de rest naar hun hand zetten. Niet goedschiks dan maar kwaadschiks. In de natuur liggen de verhoudingen wel iets anders. Het gaat om in leven blijven en zorgen voor de instandhouding van de soort. Dat is een heel groot verschil met menselijke machtswellustelingen. Genoeg daarover. Laat ik me maar bij de bloemetjes en de beestjes houden en er van te leren en over te schrijven. Behalve dat kan ik me ook erg verbazen over hoe het allemaal in elkaar steekt. En vooral er van te genieten, hoe wreed de natuur soms ook kan lijken. Zoals ik al zei, soms is het goed dat er kleine helpertjes zijn die de zaak wat reguleren. Deze keer is het mevrouw de kruisspin. Haar deftige naam is Araneus diadematus. Ze hoort tot de familie van de wielwebspinnen ( Araneidae ). In haar web vangt ze allerlei insekten. Vliegen, wespen, muggen om maar een paar te noemen die soms lastig kunnen zijn. Voor dat dankbare werk gun ik haar dan ook af en toe wel een mooie vlinder of lekkere zweefvlieg. Vooral in de herfst, als het mistig is kunnen we de prachtige wielwebben op hun mooist zien. Dan zijn het vooral de vrouwtjes die opvallen met hun groot bol achterlijf middenin het web. De mannetjes zijn veel magerder en zien we over het algemeen minder vaak. Gewoon omdat ze ons niet zo erg opvallen. Na de paring verdwijnen ze langzamerhand, sterven of worden na de paring opgegeten door de dames. Ze hebben hun werk gedaan en zijn dan nutteloos. Je zal maar spinnenman zijn! In de herfst legt ze dan haar eitjes, verstopt in een door haar zelf gemaakte cocon. Lang blijft ze er bij waken, tot ze aan het eind van de herfst sterft. Het volgend jaar, zo ergens in mei komen dan de jonge kruisspinnetjes uit hun cocon gekropen. Enige tijd blijven al die kleine wriemelaartjes nog op een kluitje bijelkaar zitten. Als je er dan een tikje tegen aan geeft spatten ze als het ware alle kanten uit. Langzamerhand zoekt elk spinnetje zijn eigen plekje en kunnen we in de nazomer en herfst weer genieten van hun prachtige webjes.

ei-cocon


vrijdag 4 november 2011

HULPJE 01


Epibal met volle maag en de resten van zijn maaltijd

Vandaag maar ietsje kalmer aan. De gewrichten kraken van al het zware werk. Bovendien is het te mooi weer om je in het zweet te jagen. Mijn thermometer wijst rond de middag al meer dan zestien graden aan. Na het boodschappen doen struin ik rustig wat door de tuin. Hier en daar nog wat rondslingerende takjes opruimen en een kopje koffie buiten in de zon. Vlak voor me kruipt een wesp langs een stengel omhoog. Hij heeft een groen rupsje in zijn kaken. Boven aangekomen strekt hij de vleugeltjes en zoekt elders een plekje om van zijn prooi te genieten. Ik kan me namelijk niet voorstellen dat er nog ergens een nest is met hongerig broed. Zweefvliegen zijn nog steeds actief en struinen alle planten met bloeiende bloemen af. Vandaag bloeien er in mijn tuin maar liefst 45 verschillende soorten planten. Niet allemaal even rijk, maar toch genoeg voor de rondzoemende insekten. Zelfs een dikke hommel komt zwaar brommend voorbij Even later weer een zware bromtoon. Het is een hoornaar ook op zoek naar wat lekkers. Eerlijk gezegd bevalt dit weer me wel. Droog, aangenaam warm en weinig wind. Op de goudgele bladeren van een lelie zie ik wat zitten. Dichterbij gekomen zie ik de larve van de pyjama zweefvlieg ( Episyrphus balteatus ). Door insektologen vaak kortweg Epibal genoemd. Het is een heel algemeen voorkomende zweefvlieg. Je kunt hem zelfs tegenkomen op een bloembak met geraniums op de tiende verdieping van een flat. Het is een zeer nuttig beestje. De vlieg zorgt voor de bestuiving van allerlei planten, maar zijn kind mag er ook wezen. Eigenlijk ben ik daar veel meer in mijn nopjes. Het madeachtige kind heeft een enorme eetlust. Op haar menu staan bladluizen en die zijn er genoeg in mijn tuin. Op de nog steeds bloeiende roos zitten ze zelfs op de bloemknoppen. Laat baby Epibal maar zijn gang gaan!

vette bladluis


donderdag 3 november 2011

EVEN VOORSTELLEN


mijn vriendin met de witte veertjes
 Zoals ik al schreef, is mijn vriendin-merel weer helemaal terug. Tijdens het werken in de tuin houdt ze alles goed in de gaten. Ziet ze wat op de grond dat eetbaar is, hup uit de heg en weg is de worm of een ander beestje. Ik praat tegen haar en dat doe ik al drie jaar. Ze is gewend aan mijn stem en laat mij tot een goeie meter bij haar komen. Vaak zit ze ergens in de heg en als ik er dan aankom gaat ze op een plek zitten waar ze alles goed kan bekijken. Het is nu nog mooi weer en er is genoeg te eten. Samen met andere vedervriendjes doet ze zich tegoed aan mijn sierappeltjes. Straks als het kouder wordt komt ze naar de voedertafel. Als ik dan 's morgens voer op de plank wil leggen, zit ze al in de heg bij het poortje te wachten. Als het dan nog wat schemerig is en ik haar niet in de gaten heb springt ze vlak voor me uit de heg en gaat op de plank zitten. Een enkele keer blijft ze zelfs zitten op het randje van de plank. Appels, daar is ze helemaal gek op, vooral in de winter als er sneeuw ligt. Andere merels die ook wel een appeltje lusten worden terstond de tuin uit gejaagd. Wanneer in het voorjaar de nestdrang zich weer laat gelden, dan mag er een mannetje blijven. Alleen als hij mooi zingt natuurlijk. Ik zal haar de komende tijd goed verwennen en hoop dat ze in 2012 een paar jongen groot kan brengen. En dat ze nog heel lang mijn vriendinnetje wil blijven.

woensdag 2 november 2011

AL WEER EEN KLEINTJE

Blijkbaar heb ik een goede bril. Op de meest onverwachte ogenblikken zie ik kleintjes. Soms zijn het plantjes, mosjes of paddenstoeltjes, dan weer zijn het beestjes. Zo ging het vandaag ook weer. De hele dag druk met het inkorten van de beukenheg en als ik dan naar binnen wil om wat te drinken is het weer zo ver. Op de witte muur zit een akelig klein beestje zo'n 1.5mm. klein. Het viel mij op door zijn donkere kleur. Fototoestel er bij en op de plaat gezet. Moeilijk om een scherpe foto te krijgen, maar het is gelukt. Het is een zogenaamde springstaart. Men noemt het wel een oerinsekt. Of het werkelijk een insekt is, daar is men het nog niet helemaal over eens. Onderzoek aan DNA zal ons wel verder helpen. Zijn naam heeft hij te danken aan een soort springorgaan dat onder zijn lichaam zit. Bij gevaar veert het los en het beestje schiet door de lucht en ontsnapt zo aan eventuele rovers. Springstaarten zitten overal op de wereld. Op Antarctica en de Himalaya op sneeuw, aan de kust zelfs op zeewater. In droge woestijnen, maar vooral op vochtige plaatsen. Er zijn meer dan 8000 soorten beschreven en geloof maar dat er heel veel nog niet ontdekt zijn. Ze eten schimmels, algen, bacterien en rottende plantendelen. In dierenwinkels worden ze wel gekweekt om als voer te dienen voor kleine terrarium dieren. Mijn springstaartje zou Dicyrtoma fusca kunnen zijn, maar heel zeker weet ik dat niet. Dat zou met een microskoop moeten worden uitgezocht. Bovendien heb ik geen determinatie tabel en.... de tuin roept.

dinsdag 1 november 2011

MILIMETER-WERK




"Phlox kelkje"

Nog steeds mooi weer. De hele dag weer bezig in de tuin. Bek af, maar de meeste planten zitten weer in de grond. De bollen zitten er ook in. Mijn merelvriendin trippelt en hipt weer in mijn buurt en pikt links en rechts lekkere hapjes uit de omgewoelde grond. De berg plantenresten vindt ze ook een uitdaging. Driftig harkt ze met de pootjes vanalles aan de kant. Af en toe gebruikt ze ook haar snavel om zaken aan de kant te gooien of om te keren. Ik ben blij dat ze weer terug is. Een tijd lang durfde ze niet zo goed meer mijn tuin in. Alle vijf haar nesten werden dit voorjaar geplunderd. Zelf is ze een keer ter nauwernood ontsnapt, wat te zien was aan haar veertjes in de takken rond haar nest. Fijn dat ze er weer is, ook omdat ze het komende voorjaar dan weer de engerlingen en meikevers te lijf gaat in mijn grasveldje. De berg afval moet wel afgevoerd worden straks. Nu laat ik haar eerst maar harken en spitten. Er stonden nog wat vaste planten in potten te wachten op een plekje in mijn tuin. Omdat er veel mos en ongewenste planten in die potten waren gegroeid, moesten ze goed uitgeklopt worden voor ze de tuin in konden. Op een oud afgestorven stengelstuk van een Phlox zag ik iets groeien. Van dichtbij bekeken waren het paddenstoeltjes, maar wel heel erg klein. De grootste was nog geen 2 mm. hoog. Het zijn zogenaamde Ascomyceten, zakjeszwammen in het Nederlands. Hele kleine dingetjes zijn het die vaak te vinden zijn op dode stengels van bijvoorbeeld aardappels en brandnetels en vaste planten dus. Ze zijn moeilijk op naam te brengen. Op een oude eikenstronk die verlegd moest worden zaten ook tientallen van deze kleine dingetjes aan de onderkant en in de holten. Dit is waarschijnlijk het sneeuwwit franjekelkje ( Dasyscyphella nivea ). Gelukkig horen bij deze groep zwammen ook grotere en duidelijk herkenbare soorten. Zwarte kluifzwam en Oranje bekerzwam zijn daar een goed voorbeeld van.

Brandnetelkelkje

Grote oranje bekerzwam